Start
 

Methode

inleiding
basisprincipes
basisactiviteiten

Scholen

 

Leerkracht

publicaties
activiteiten

Ouders
Faq
Forum
 

Reageer

 

Veel gestelde vragen over het Jenaplan

Wat zijn de belangrijkste uitgangspunten van een Jenaplanschool ?
Waarom heet het eigenlijk JENAPLAN ?
Wie was Peter Petersen ?
Is Jenaplan een methode , een systeem ?
Wat is het verschil tussen Jenaplan, Montessori,Freinet,e.a. ?
Klopt het dat hier alles mag en dat er geen regels zijn ?
Waarom noemen jullie een klas een stamgroep ?
Is de Feniks een school die moeilijk lerende kinderen opvangt ?
Waarom mogen kinderen kiezen met wie ze samenwerken ?
Als mijn kind steeds anderen moet helpen, komt het dan nog wel aan zijn eigen werk toe ?
Wat doe je als een kind zegt : “Ik heb geen zin “ ?
Worden er wel eisen gesteld aan kinderen ?

 

Wat zijn de belangrijkste uitgangspunten van een Jenaplanschool ?

Het Jenaplanconcept wil kinderen zo goed mogelijk begeleiden op hun weg naar volwassenheid. Het gaat daarbij uit van volgende punten :

  1. Het veronderstelt en wil bouwen aan een samenleving waarin alle mensen als gelijke in rechten en waardigheid worden beschouwd
  2. Het erkent dat ieder kind een uniek wezen is, dat er recht op heeft zijn eigen identiteit op te bouwen. De begeleiders hebben de plicht de eigen mogelijkheden van elk kind te zoeken en te stimuleren om het zo goed mogelijk te helpen bij het vormen van zijn persoon.

Het vormen van een persoonlijkheid kan alleen binnen een gemeenschap. Eén van de gemeenschappen waarbinnen een kind opgroeit is de schoolgemeenschap. Op een Jenaplanschool wil men de kinderen leren een volledig functionerend lid van die gemeenschap te zijn. Dienstbaar maar ook weerbaar, kritisch en opkomend voor zichzelf en voor anderen.
Men wil het kind opvoeden in vrijheid. We leren het zijn vrijheid goed te gebruiken en dat vrijheid met verantwoordelijkheid te maken heeft. Het zal ook de vrijheid van andere leden van de gemeenschap moeten aanvaarden, mogelijk maken en stimuleren.
Op de Jenaplanscholen zullen de verschillen tussen de kinderen positief worden benaderd. Deze verschillen maken het zelfs mogelijk elkaar meer ten dienste te zijn.

naar boven

 

Waarom heet het eigenlijk JENAPLAN ?

Peter Petersen (1884-1952) de initiator van het Jenaplan zegt daarover zelf in zijn boek “Der Kleine Jenaplan” (1927) :
De naam “JENAPLAN” is ontstaan door de leden van  het Londense comité bij de voorbereiding van de vierde conferentie van de New Education Fellowship in Locarno in 1927. Ik zou daar over mijn experiment in Jena spreken. Toen ontstond als inleidend geschrift voor de deelnemers aan deze conferentie : “der kleine Jenaplan”. Vanaf dat moment werden de ideeën genoemd naar de titel van dit boekwerkje.
Opmerking  : Jena is de stad in  het vroegere Oost-Duitsland waar de universiteit ligt waar Petersen werkte.

naar boven

 

Wie was Peter Petersen ?

In het Duitsland van na de eerste wereldoorlog ontstond een vernieuwingsbeweging, die zich  toelegde op het veranderen van de bestaande ideeën over opvoeding en onderwijs. Petersen was een actief lid van deze beweging. Nadat hij een aantal jaren op een middelbare school in Hamburg had gewerkt en bovendien een 3-tal jaren als teamleider aan een experimentele school voor 10 tot 18-jarigen, werd Petersen in 1923 hoogleraar Pedagogiek aan de universiteit van Jena. Dat gaf hem de mogelijkheid om theorie en praktijk van onderwijsvernieuwing tegelijkertijd te ontwikkelen. De praktijk in de bij de universiteit behorende basisschool , de theorie in de faculteit.
Het Jenaplan dateert uit de twintiger jaren het Duitsland van die tijd. Kan zo’n schoolmodel vandaag de dag in ons land nog wel verantwoord zijn ?

De problemen, waarvoor de school zich in de twintiger jaren geplaatst zag, zijn in de kern niet anders dan de problemen, waar de scholen van vandaag zich voor geplaatst zien. Op dat gebied kan men in het Jenaplan een aantal gedachten vinden die zeker niet verouderd zijn, maar daarentegen onverminderd nog steeds van kracht zijn. Te denken valt aan het doorbreken van het klassikale systeem en het zittenblijven, problemen met het zoeken naar vormen van zelfstandig werken, het individualiseren, het zoeken naar leerstof aansluitend aan de belevingswereld van het kind.. Men wil zich ook nu nog in het Jenaplanonderwijs verdiepen in andere aspecten dan allen zaken die met kennis te maken hebben. Het is zeker niet de bedoeling om alles wat in het Jenaplanconcept beschreven is, maar klakkeloos na te bootsen. Jenaplan is geen gesloten model, maar vraagt per situatie om een interpretatie. Het Jenaplan is een raamplan : ongetwijfeld zal daardoor het onderwijs per plaats of streek verschillen.
Het is een gegeven de Jenapraktijk voortdurend  kritisch te bekijken en de dagelijkse praktijk te toetsen aan wat ouders en team aan idealen hebben.

naar boven

 

Is Jenaplan een methode , een systeem ?

Het Jenaplan gaat uit van een aantal basisprincipes (zie verder in de brochure). Die uitgangspunten gaan over  mensen, de maatschappij en opvoeding. Ze zijn niet vrijblijvend. Het zijn normen waaraan het leven en werken in de school steeds moet worden getoetst. Het zijn streefdoelen en ze spelen een belangrijke rol bij de vormgeving van het dagelijks bezigzijn, maar ook bij het evalueren ervan.

naar boven

 

Wat is het verschil tussen Jenaplan, Montessori,Freinet,e.a. ?

Het is mogelijk om naar de verschillen te kijken, maar zeker ook de moeite waard om naar de overeenkomsten te kijken. Al deze vernieuwingsbewegingen hebben hun wortels in dezelfde tijdsgeest. Het bespreken van de overeenkomsten en onderlinge verschillen zou binnen dit kader te ver voeren. We kunnen verwijzen naar het boek “Onderwijskundigen van de twintigste eeuw”. Verder is er een vergelijking van de schooltypen te vinden in de boeken: ”Klasse-onderwijs” van M. Matthijsen en “Wat is dit voor een school ?” van J. Ahlers.

naar boven

 

Klopt het dat hier alles mag en dat er geen regels zijn ?

Nee, dat klopt niet. Vrijheid is immers een relatief begrip in een situatie waar mensen zo optimaal mogelijk met elkaar proberen samen te werken. Zeker in een Jenaplanschool, waar men nastreeft dat elk mens zijn eigen identiteit mag ontwikkelen. Zo betekent vrijheid tegelijkertijd een vorm van beperktheid. Leren omgaan met vrijheid, in het belang van jezelf maar ook in het belang van de ander is een proces van aftasten. Daarin zul je moeten kunnen experimenteren om te ervaren hoe de nuances liggen tussen “ruime” en “krappe” vrijheid. In een Jenaplanschool willen we kinderen laten ervaren hoe regels kunnen ontstaan, hoe zinvol ze kunnen zijn en bovenal hoe “bevrijdend” ze kunnen werken.

naar boven

 

Waarom noemen jullie een klas een stamgroep ?

Eigenlijk is de vraag verkeerd gesteld, hoewel die regelmatig gehoord wordt. Een stamgroep is een wezenlijk andere groepering. Een “klas”  zijn  kinderen, die over het algemeen in hetzelfde jaar geboren zijn en op dezelfde tijd dezelfde hoeveelheid leerstof te verwerken krijgen. In een stamgroep (zie verder in de brochure) zitten kinderen van verschillende leeftijden met verschillende vorderingen in de leerstof. De stamgroepen worden grotendeels ingedeeld in de onderbouw(= kleuterbouw), middenbouw en bovenbouw telkens voor een periode van 3 jaar. Zo ervaren de kinderen om achtereen de jongste , de middelste en de oudste te zijn.

naar boven

 

Is de Feniks een school die moeilijk lerende kinderen opvangt ?

Waarschijnlijk is de vraag ontstaan vanuit het gegeven dat er in het verleden enkele kinderen zijn opgenomen die op andere scholen zijn vastgelopen. Wij proberen uit te gaan van ieder kind en wel als totale persoon. We laten het kind ervaren dat het altijd telt en omdat het naast zijn zwakke mogelijkheden altijd wel sterke heeft : op onze school proberen we die kanten te vinden en te ontwikkelen (aandacht voor meervoudige intelligentie). Iedere Jenaplanschool moet echter zelf bepalen hoeveel kinderen met specifieke moeilijkheden ze denkt te kunnen begeleiden.

naar boven

 

Waarom mogen kinderen kiezen met wie ze samenwerken ?

Kinderen weten vaak op grond van ervaring met wie zij willen samenwerken. Die samenwerkingsrelatie zal vaak per onderwerp verschillen. Bijvoorbeeld het met iemand samen een verjaardagskring voorbereiden vraagt een bepaalde samenwerking, maar met iemand een rekenopdracht uitvoeren vraagt een ander soort samenwerking. Kinderen zijn vaak het best gemotiveerd als zijn zelf hun keuze ten aanzien van de persoon met wie samengewerkt moet worden, mogen bepalen. Vaak zal er dan ook een groter verantwoordelijkheidsgevoel zijn. De groepsleider volgt deze keuzeprocessen wel en zal ingrijpen als een kind geholpen moet worden bij het leren van bepaalde vormen van samenwerking.

Vraagt zo’n school niet te veel van de eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van een kind ?

Er wordt in de Feniks een beroep gedaan op ieder kind om zich te ontwikkelen tot een zelfstandige, creatieve en verantwoordelijke volwassene. Daarbij verdient het alle aandacht, dat dit  langs een weg van natuurlijke groei en rijping gebeurt. Van geen enkel kind mag iets geëist worden dat zijn mogelijkheden te boven gaat. Desondanks moet van ieder kind wel steeds gevergd worden, dat hij zijn beste vermogens inbrengt en dat hij die ook ontwikkelen wil. In de praktijk zal het steeds een zoeken zijn om deze 2 polen in evenwicht te houden. Vandaar dat zorgvuldig overleg tussen de teamleden, school en ouders hier zonder meer noodzakelijk is om ieder minder goed functioneren van het kind te constateren en daarop aansluitend maatregelen te treffen, zodat de ontwikkeling van het kind in een sfeer van veiligheid en geborgenheid kan plaatsvinden. We trachten steeds ieder kind de leiding te geven die het nodig heeft. De behoefte daaraan is voor ieder kind verschillend.

naar boven

 

Als mijn kind steeds anderen moet helpen, komt het dan nog wel aan zijn eigen werk toe ?

Kinderen zijn gegroepeerd in stamgroepen. Binnen zo’n stamgroep bestaan tafelgroepen die bestaan uit 3 tot 6 kinderen variërend in leeftijd, afhankelijk van de bouw. Binnen zo’n tafelgroep is het mogelijk dat kinderen elkaar zullen helpen, al naar gelang daartoe uitgenodigd worden. Meestal vindt hulpverlening over en weer plaats op een natuurlijke manier. Het waardevolle is dat kinderen leren hulp te vragen en hulp te geven. Tevens is het voor een kind verrijkend eerder verworven kennis zo te verwoorden dat het hulpvragende kind de stof begrijpt. Het hulpgevend kind kan daardoor ervaren dat het de stof beheerst. De groepsleider is degene die in de gaten houdt of hulpverlening redelijkerwijs verloopt. Hij let erop dat kinderen niet te veel belast worden met vragen om hulp.

naar boven

 

Wat doe je als een kind zegt : “Ik heb geen zin “ ?

Het is de bedoeling om kinderen in hun ontwikkeling zoveel mogelijk aan te moedigen en te motiveren. In het beste geval wordt er ingespeeld op de intrinsieke motivatie, m.a.w. de motivatie die van binnenuit het kind komt. Soms lukt dit niet. Dit kan allerlei oorzaken hebben. Daar waar het mogelijk is zal de groepsleider proberen te achterhalen waarom een kind tijdelijk, dan wel structureel ongemotiveerd is. Meestal zal dit in overleg tussen het kind en de groepsleider plaatsvinden. Er zullen acceptabele oplossingen gezocht worden, zodat een machtsstrijd tussen de groepsleider en het kind voorkomen wordt.

naar boven

 

Worden er wel eisen gesteld aan kinderen ?

Wij willen graag dat kinderen zodanig geprikkeld kunnen worden dat zij als totale persoon actief zijn. Het is een streven van de groepsleider om kinderen zo uit te dagen dat zij presteren naar mogelijkheden. Dat verschilt per kind. Kinderen willen graag presteren, willen graag iets goed doen. Niet als ze de ervaring hebben opgedaan dat het voor hen te makkelijk of te moeilijk is. Als voor kinderen de opdracht zinvol is en ze de haalbaarheid ervan kunnen inzien, dan gaan ze meestal graag en gretig aan de slag.

naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

© Copyright 2010 - PBD Gent. All Rights reserved